Steun ons Lid worden

Blaastrainingen

Sinds de jaren 80 worden in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht blaastrainingen, ook wel bekend als urotherapie, gegeven aan kinderen die overdag urineverlies ervaren. Dit probleem treedt meestal op als gevolg van functionele incontinentieproblemen, maar soms ook bij kinderen met anatomische afwijkingen, zoals blaasextrofie/epispadie.

Functionele incontinentie is een veelvoorkomend probleem; ongeveer 10-12% van de basisschoolkinderen ervaart dit. Dit betekent dat in vrijwel elke schoolklas minstens één kind te maken heeft met plasproblemen. Plasproblemen kunnen verschillende oorzaken hebben zoals onjuiste manier van plassen bijvoorbeeld door te persen tijdens het plassen. Of moeite hebben met het ophouden van de urine of frequent het gevoel hebben te moeten plassen zoals dat gebeurt bij een overactieve blaas. Ook kan er sprake zijn van stressincontinentie waarbij het kind urine verliest wanneer de druk in de buik plotseling toeneemt bijvoorbeeld tijdens hoesten, niezen, persen, springen, snelle bewegingen en sporten.

Urotherapie

Urotherapie is een eerste keus behandeling voor alle vormen van functionele incontinentie Het is eigenlijk een soort training om de blaas en het plassen onder controle te krijgen. En het werkt echt goed want meer dan 70% van de kinderen met plasproblemen worden er beter van. Tijdens de urotherapie leren de kinderen van alles zoals hoe de blaas werkt, hoe ze op de juiste manier moeten plassen en hoe ze kunnen voorkomen dat ze per ongeluk urine verliezen. De training is niet alleen voor de kinderen, maar ook voor hun ouders. De training heeft meestal snel resultaat, maar vraagt veel van inzet, motivatie en doorzettingsvermogen van het kind.

Kinderen met blaasextrofie/epispadie hebben vaak vergelijkbare klachten als kinderen met functionele incontinentie zoals verminderd blaasgevoel, ongewenst urineverlies, een overactieve blaas of stressincontinentie. Daarom biedt het Wilhelmina Kinderziekenhuis urotherapie aan voor deze bijzondere groep kinderen: de klinische blaastraining. Dit is een variant waarbij kinderen enkele dagen in het ziekenhuis verblijven. De klinische training biedt de urotherapeut de mogelijkheid om nauwlettend te observeren en te begrijpen waarom en wanneer het kind urine verliest zodat er een op maat gemaakte behandeling kan worden geboden.

Klinische blaastraining

Tijdens deze behandeling verblijft het kind doorgaans minimaal 2-5 dagen in het ziekenhuis, vaak met andere kinderen van vergelijkbare leeftijd en geslacht die so

ortgelijke problemen ervaren. Tijdens deze training leren de kinderen drie belangrijke vaardigheden:

1. Ze leren hoe ze goed moeten plassen, vaak met behulp van een speciale wc met een beeldscherm. Wanneer er een mooie boog op het scherm verschijnt, leren de kinderen ontspannen te plassen. Zo begrijpen dat ze niet moeten persen en hun buik ontspannen moeten houden om de blaas volledig te legen.

2. Ze leren wanneer ze moeten plassen, met behulp van een speciale onderbroek, ook wel bekend als een “pieperbroek”. Zodra er zelfs maar een druppel urine in de pieperbroek komt, begint deze onmiddellijk te piepen. Op deze manier helpt het het kind extra alert te zijn en te voorkomen dat het nat wordt.

3. Ze leren hoe vaak ze moeten plassen. Elke keer dat er geplast is, wordt dat bijgehouden op een (digitale) plaslijst.

Er zijn dagelijks twee sessies waarin het kind een soort “plasles” krijgt. Tijdens deze sessies wordt het kind geïnformeerd over de werking van de blaas, waarom het soms nat wordt en welke acties het zelf kan ondernemen. Het begrip en de bewustwording spelen een cruciale rol bij het succes van de training. Als er verbetering wordt waargenomen, kan de training tot wel 10 dagen duren. Na het ziekenhuisverblijf zetten ze de training thuis nog drie maanden voort, met telefonische begeleiding van de urotherapeut.

Resultaat

Tijdens de training wordt er ook veel aandacht besteed aan zelfstandig gedrag op het toilet en de motivatie om het programma vol te houden. En zelfs nadat de klinische training is afgelopen, krijgen ze nog steeds intensieve begeleiding.

Uit ervaring blijkt dat ongeveer 60% van deze kinderen uiteindelijk volledig droog wordt of duidelijk minder last heeft van urineverlies. Het contact met andere kinderen die vergelijkbare problemen ondervinden, draagt bij aan het succes van de behandeling en het draagt eveneens bij aan acceptatie als het toch niet helemaal lukt.

Anka Nieuwhof-Leppink, Coördinator Urotherapie,
Wilhelmina kinderziekenhuis/UMC Utrecht

Back To Top